Een boek kiezen en voorlezen

Hoe kies ik een boek?

Er zijn zoveel leuke boeken. Welk boek kies je? Een paar tips:

  • Kies een boek waar je van houdt, maar denk ook aan je publiek (kies bijvoorbeeld niet een te kinderachtig boek). Kijk ook bij de regels voor je meester of juf wat er staat over je boekkeuze.
  • Als je het moeilijk vindt om een leuk boek te kiezen, vraag dan advies thuis, op school, in de bibliotheek, in de (kinder)boekhandel of kijk op leesplein of boekenzoeker. De boekenzoekersite geeft je tips over boeken die bij jou passen.
  • Probeer eerst eens hardop of het boek ook lekker voorleest. Je weet dan meteen hoe lang je ongeveer over een bladzijde doet.
  • Zorg dat er niet te veel personen in voorkomen, anders moet je zoveel uitleggen van tevoren. Te veel verschillende personen is ook lastig voor je publiek, het wordt dan misschien te ingewikkeld.
  • Te makkelijke boeken, stripboeken, gedichtenbundels, zelfgeschreven boeken of prentenboeken mogen niet.

Het boek heb je, nu moet je nog een fragment kiezen. Welk deel van het boek ga je voorlezen? probeer een mooi afgerond stuk te vinden (er bestaan boeken met duidelijk afgeronde hoofdstukken of korte verhaaltjes). Even testen: stel je voor dat jij het boek niet kent en alleen dit ene stuk hoort. Is het leuk om te horen en goed te begrijpen? Schakel een vriend(in) in om je te helpen. Je kunt nu beginnen met voorlezen.

Hoe lees ik goed voor?

Iedereen kan voorlezen! Vooral je zelf blijven dat helpt. Nog een paar voorleestips:

  • Lees niet te snel voor. Neem de tijd of zoek een korter fragment. je hoeft de vijf minuten (inclusief de inleiding) niet perse vol te maken.
  • Spreek duidelijk. Gebruik je eigen stem.
  • Let op de juiste klemtonen. Oefen eens hardop en vraag of iemand daarop wil letten.
  • Probeer contact te houden met je publiek. Houd je boek dus niet voor je gezicht en probeer zo nu en dan de mensen in de zaal aan te kijken.
  • Probeer niet toneel te spelen. Het gaat niet om leuke stemmetjes of om grote gebaren, maar om boeiend voorlezen.
  • Je kunt wel je stem gebruiken om de sfeer van het verhaal duidelijk te maken. Je kunt hard (niet te hard) en zacht afwisselen. Je kunt in tempo variĆ«ren. Je stem kan bedroefd, blij, boos, dreigend of geheimzinnig klinken, als het maar past bij het verhaal.
  • Schreeuw nooit. Dat is ook beter als je tijdens de vervolgrondes met een microfoon moet voorlezen.
  • Verspreken is niet erg. Goed ademhalen en rustig opnieuw beginnen.

Wil je weten waar de jury op let? Bij alle wedstrijdrondes wordt hetzelfde juryformulier gebruikt. Handig om even te lezen.